Toediening

Publicatiedatum:
29 augustus 2012

  1. Toediening vindt plaats in opdracht van een arts
  2. Producten die niet binnen een half uur aan de patiënt kunnen worden toegediend, moeten bewaard worden in een speciale bloedbewaar-koelkast en niet in een huishoudkoelkast. De bloedbewaar-koelkast dient voorzien te zijn van een continue temperatuursregistratie en alarmering.
  3. Er dient vlak voor transfusie in ieder geval een laatste controle te geschieden van de patiëntidentiteit en van de bloedgroepgegevens van de donor en van de patiënt.
  4. Er mogen nooit medicamenten aan het te transfunderen bloedproduct worden toegevoegd. Ook niet andere infuusvloeistoffen dan 0,9% NaCl.
  5. Voor iedere transfusie dient de uitgangstemperatuur,bloeddruk en pols van de patiënt gemeten te worden.
  6. De patiënt moet geïnstrueerd worden dat tijdens transfusie eventuele bijzonderheden gemeld moeten worden.
  7. Toediening m.b.v. een standaard infuussysteem dat een filter heeft met een poriegrootte van 170 – 200 µm en dat gevuld is met 0,9% NaCl.
  8. De bloedtransfusie dient gedurende de eerste 10 minuten onder toezicht uitgevoerd te worden, indien mogelijk wordt dan langzaam geïnfundeerd.
  9. Erytrocyten kunnen in 1-3 uur worden toegediend en hoeven tevoren niet te worden opgewarmd. Verwarmen is alleen noodzakelijk als bloed snel in moet lopen of bij een patiënt met klinisch belangrijke koude agglutininen/ hemolysinen. Gebruik van speciale apparatuur is hiervoor aangewezen. Plasma en trombocyten worden in ± 20 minuten toegediend.
  10. De transfusie van een bloedproduct mag niet langer dan 2 uur onderbroken worden.
  11. Bij een transfusiereactie wordt de transfusie zo snel mogelijk gestaakt. Bloedzak en infuussysteem worden verwijderd en door een nieuw systeem en een zak NaCl 0.9% vervangen (de canule blijft dus in het vat).
  12. In geval van een bloedtransfusiereactie dient deze aan het transfusielaboratorium te worden gemeld (zie hoofdstuk Transfusiereacties en hemovigilantie). Hetzelfde geldt voor fouten en incidenten zonder gevolgen voor de patiënt.
  13. Er dient een werkvoorschrift (verpleegkundig protocol) aanwezig te zijn waarin de gang van zaken rond de transfusie, alsmede de gebruikte documentatie, is beschreven. Dit werkvoorschrift dient gefiatteerd te worden door de bloedtransfusiecommissie van het betreffende ziekenhuis.