Antifosfolipiden syndroom

Het antifosfolipidesyndroom is een autoimmuunziekte, die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van antifosfolipide antilichamen (lupus anticoagulans en/of anticardiolipine antistoffen en/of β2-glycoproteine I antistoffen ) in het plasma van een patiënt met veneuze en/of arteriële trombose of recidiverende zwangerschapscomplicaties. Het kan zowel voorkomen  zonder onderliggend lijden, als bij een systemische auto-immuun ziekte (SLE).

De pathogenese is recent opgehelderd en lijkt te berusten op de binding van de antistoffen aan beta-2 glycoproteine I en prothrombine. Deze antistoffen remmen de werking van fosfolipide afhankelijke antitrombotische mechanismen, zoals het APC (proteine C) systeem. Ook kunnen de antifosfolipiden antistoffen bloedplaatjes, monocyten en endotheelcellen activeren, met als gevolg plaatjesaggregatie en vrijkomen van weefselfactor (tissue factor).

Classificatie criteria voor het antifosfolipiden syndroom

Vasculaire trombose
Eén of meer klinische episodes van arteriële, veneuze trombose in een orgaan of  weefsel
en
trombose objectief bevestigd door beeldvorming, zoals echografie, of histologisch onderzoek, uitgezonderd een oppervlakkige tromboflebitis
en
bij eventueel histologisch onderzoek trombose aanwezig zonder tekenen van ontsteking in de vaatwand.

Zwangerschapscomplicaties
één of meer onverklaarde dood van een morfologisch normale foetus na 10 weken zwangerschapsduur, (normale foetale morfologie bij echografisch onderzoek, of bij direct onderzoek van de foetus)
of
Eén of meer vroeggeboortes van morfologisch normale neonaten voor de 34e week van de zwangerschap door ernstige pre-eclampsie of ernstige placenta insufficiëntie
of
3 of meer opeenvolgende spontane miskramen voor de 10e week van de zwangerschap (indien maternale anatomische of hormonale afwijkingen en paternale en maternale chromosomale afwijkingen zijn uitgesloten)

Laboratorium criteria
Anticardiolipine antistoffen van IgG ≥ 21U en/of IgM ≥ 23 U in het bloed, aanwezig op 2 verschillende tijdstippen gemeten middels een ELISA, tenminste 12 weken na elkaar
of
anti-beta-2 glycoproteine-I antistoffen IgG ≥ 30 U en/of IgM  ≥ 15 U in het bloed op 2 verschillende tijdstippen gemeten middels een ELISA, tenminste 12 weken na elkaar
of
lupus anticoagulans aanwezig in plasma op 2 of meer tijdstippen, tenminste 12 weken na elkaar, aangetoond volgens de richtlijnen van de International Society of Thrombosis and Haemostasis.

Beleid bij aangetoonde antifosfolipiden antistoffen

  • er is geen indicatie voor profylactische antistolling bij aantonen van antifosfolipide antistoffen. Dit is wel geïndiceerd in hoog risico situaties, zoals langdurige bedrust, operaties, kraambed etc.
  • de orale anticonceptie pil wordt afgeraden
  • voor zwangeren geldt dat kan worden overwogen in het kraambed 6 weken profylactische antistolling te geven (zie onder).

Beleid bij antifosfolipiden syndroom

Bij veneuze trombose
Orale antistolling met normale therapeutische intensiteit (INR 2.0-3.0 ; streefwaarde 2,5-3,5). Onze huidige richtlijn is bij het 1e event 1 jaar antistolling, ook als er een voorbijgaande oorzaak, zoals operatie, aan voorafging. Bij recidief trombose is langdurig antistolling geïndiceerd. Bij patiënten met recidief trombose onder antistolling moet een hogere intensiteit nagestreefd worden (INR 3,5-4,5).

Bij arteriële trombose
In geval van herseninfarct is aspirine even effectief als orale antistolling met lage intensiteit.

Bij ernstige trombotische complicaties (“catastrophic APS”) (zeldzaam)
Behandeling onderliggende oorzaak (infecties), antistolling en corticosteroïden. Bij levensbedreigende trombose evt. plasmaferese of gamma globuline.

Bij zwangerschap
Antifosfolipiden syndroom zonder trombose in voorgeschiedenis:

  • lage dosis aspirine (eenmaal daags 80 mg) tot de 36e week
  • LMWH in profylactische dosering (nadroparine 5700 aXa EH 1 dd s.c.) gedurende de gehele zwangerschap en te continueren in kraambed tot 6 weken post-partum.

Indien eenmaal trombose in de voorgeschiedenis:

  • lage dosis aspirine (eenmaal daags 80 mg) tot de 36e week
  • LMWH in profylactische dosering (nadroparine 5700 aXa EH 1 dd s.c.) gedurende de gehele zwangerschap en te continueren in kraambed tot 6 weken post-partum.

Bij meerdere tromboses in de voorgeschiedenis:

  • lage dosis aspirine (eenmaal daags 80 mg) tot de 36e week
  • LMWH in therapeutische dosering continueren.