Pediatrische transfusies

Publicatiedatum:
29 augustus 2012

Transfusie bij neonaten(< 6 mnd)

Anemie

Het normale Hb van een  à terme neonaat is ongeveer 10 mmol/L, waarvan 60-80% HbF. Dit daalt door diverse factoren fysiologisch tot 6,8 mmol/L na circa 8 weken. Correctie d.m.v. bijvoorbeeld transfusies is hiervoor vrijwel nooit geïndiceerd.  Indien een transfusie geïndiceerd is, is het onder andere noodzakelijk dat de compatibiliteit van een erytrocytenconcentraat gecontroleerd wordt met een volledige kruisproef tussen erytrocyten van de donor en serum/plasma van de moeder (van vlak voor of na de partus). Er wordt gebruik gemaakt van serum/plasma van moeder aangezien bij de neonaat passief verworven antistoffen (via moeder) gedurende 3 maanden aanwezig kunnen zijn. Na eerdere transfusie van de neonaat behoort ook een kruisproef met materiaal van de neonaat plaats te vinden omdat na eerdere transfusie, ook passief antistoffen kunnen zijn overgebracht. Bij voorkeur wordt in geval van meerdere transfusies gebruik gemaakt van dezelfde donor ter reductie van het aantal donorexposities.

In geval van massale transfusie bij neonaten dienen erytrocytenconcentraten te worden gebruikt die maximaal 5 dagen oud zijn. Voor zogenaamde “top-up” transfusies is dit niet noodzakelijk. De kaliumconcentratie in de bewaarvloeistof levert geen probleem op.

Bestraalde bloedproducten zijn niet geïndiceerd, tenzij de neonaat intra-uterien getransfundeerd werd of prematuur is (<1500 gram geboortegewicht en/of zwangerschapsduur <32 weken).

Trombocytentransfusie

Trombocytentransfusietriggers: zie richtlijn bloedtransfusie 2011.

Beleid bij foetale/neonatale allo-immuuntrombopenie (FNAITP): de meeste gevallen worden veroorzaakt door maternale antistoffen tegen HPA-1a, HPA-5b en HPA-3a. In geval van FNAITP dienen bij voorkeur HPA-compatibele trombocytenconcentraten getransfundeerd te worden (d.w.z. HPA-negatief voor het antigeen waar de antistof tegen gericht is). Sanquin Bloedvoorziening heeft ten behoeve van onverwachte FNAIT in principe altijd een HPA-1a (en veelal ook -5b) negatief trombocytenproduct beschikbaar.

Plasmatransfusie

Hiervoor gelden dezelfde richtlijnen als bij volwassenen (uiteraard rekening houdende met de toe te dienen volumina).

Transfusie bij kinderen

Anemie

Er zijn nauwelijks of geen studies die verschillende erytrocytentransfusietriggers voor kinderen ouder dan vier maanden met elkaar hebben vergeleken. Daarom berusten richtlijnen voor deze categorie kinderen grotendeels op empirie of zijn afgeleid van studies bij volwassenen. Meestal worden erytrocytentransfusies gegeven bij Hb-waarden tussen de 4.0 en 5.0 mmol/L; de indicatie wordt mede bepaald door de symptomatologie.

Met betrekking van compatibiliteitsonderzoek en productkeuze kan gesteld worden dat dezelfde regels gelden als bij volwassenen.

Trombocytentransfusie

Er zijn onvoldoende studiegegevens beschikbaar betreffende de transfusiegrens van trombocyten voor kinderen met trombocytopenie die invasieve procedures, zoals beenmergpunctie, lumbaal punctie, inbrengen van centraal veneuze katheters, biopsieën of grote chirurgie ondergaan. Dit geldt niet voor lumbaal puncties bij kinderen met leukemie. Bij kinderen met ALL wordt voor een LP een trombocyten aantal van 50 x109/L aanbevolen. Bij de overige chirurgische ingrepen wordt over het algemeen een trigger van 50 x 109/L aangehouden. Bij de overige chirurgische ingrepen wordt over het algemeen een trigger van 50 x 109/L aangehouden. Bij neurochirurgie, cardiopulmonale chirurgie en intracraniële chirurgie wordt gestreefd naar een trombocyten aantal van > 100 x 109/L

Plasmatransfusie

Hiervoor gelden dezelfde richtlijnen als bij volwassenen (uiteraard rekening houdende met de toe te dienen volumina).