Preventie immunisatie door erytrocytantigenen

Publicatiedatum:
29 augustus 2012

Rhesusfenotype, K etc.

a. Vrouwen in de vruchtbare leeftijd (≤ 45 jaar)

Er bestaat consensus in Nederland over het geven van cEK-compatibele erytrocyten-concentraat bij deze patiëntengroep ter preventie van antistof  vorming en daardoor hemolytische ziekte van de pasgeborene.

b. Aangeboren hemoglobinopathieën (β-thalassemie, sikkelcel ziekte)

Ter preventie van immunisatie tegen klinisch relevante bloedgroepantigenen wordt geadviseerd een Rhesusfenotype en K compatibel en zo nodig Fy(a)-negatief transfusiebeleid te voeren. Indien mogelijk wordt geadviseerd om Jk(b)-, S- en s- negatieve erytrocytenconcentraten te selecteren voor patiënten die zelf negatief zijn voor deze antigenen (in volgorde van belang).

c. Autoimmuun hemolytische anemieën (warmte AIHA)

Ter preventie van allo-immunisatie tegen Rhesusantigenen en K wordt geadviseerd een Rhesusfenotype en K compatibel transfusiebeleid te voeren.

d. Myelodysplastisch syndroom (MDS)

Ter preventie van allo-immunisatie tegen Rhesusantigenen en K wordt geadviseerd een Rhesusfenotype en K compatibel transfusiebeleid te voeren.

Rhesus D-antigeen

Transfusie van trombocyten

Bij voorkeur worden Rh-D-compatibele trombocytenconcentraten getransfundeerd. Vrouwen onder de 45 jaar dienen uitsluitend Rh-D-negatieve trombocytenconcentraten te ontvangen en als transfusie met Rh-D-trombocytenconcentraat niet te vermijden is, dan dient eventuele immunisatie te worden voorkomen door het toedienen van een ampul anti-D à 375 IE. Bij neonaten zoveel mogelijk de indicatie voor anti-D vermijden. Bij trombocytentransfusie bij neonaten dient de dosis aangepast te worden aan het getransfundeerde volume trombocytenconcentraat. In het geval van trombopenie subcutaan toedienen.

Indicaties en dosering anti Rh D immunoglobuline

Zwangerschap bij Rhesus D-negatieve vrouwen:
vaste dosis:
  • in week 30, indien de vrouw nog geen levend kind heeft
1000 IE
  • na bevalling van een Rhesus D-positief kind
1000 IE
  • na spontane abortus na 10 weken
375 IE
  • na abortus met instrumentatie
375 IE
  • na abortus na 20 weken (spontaan of geprovoceerd)
1000 IE
  • na uitwendige versie van een stuitligging
1000 IE
  • na amniocentese voor de 26e week
375 IE
  • na amniocentese vanaf de 26e week
1000 IE
  • na beëindiging van een extra-uteriene graviditeit
375 IE
  • bij mola hydatidosa
375 IE
  • bij chorion-villusbiopsie
375 IE
  • na navelstrengpunctie
1000 IE

Dosis afhankelijk van hoeveelheid getransfundeerd bloed

  • na grote transplacentaire bloeding (stomp buiktrauma)
  • bij sectio caesarea
  • bij fundus expressie
  • bij meerling-zwangerschap
  • bij intra-uteriene vruchtdood
  • bij manuele placentaverwijdering
  • na bevalling van een anemische baby

De mate van foeto-maternale transfusie wordt vastgesteld, bijvoorbeeld met een flowcytometrische bepaling van het D-antigeen in maternaal bloed.

Per ml foetaal getransfundeerd bloed moet 50 IE anti-Rhesus D gegeven worden.

Een standaard ampul (1000 IE) neutraliseert 20 ml foeto-maternale transfusie.

Er bestaat geen duidelijke indicatie voor de toediening van anti-Rhesus D bij bloedverlies tijdens de zwangerschap.

Immunisatie van niet-zwangeren

Transfusie van erytrocyten

Bij accidenteel toegediend Rhesus D-positieve erytrocyten aan Rhesus D-negatieve patiënten wordt 50 IE anti-Rhesus D per ml toegediend erytrocyten gegeven. Indien de hoeveelheid anti-Rhesus D te groot wordt voor i.m. toediening kan een speciaal i.v.-preparaat worden besteld.

Transfusie van trombocyten

Indien vrouwen onder de 45 jaar Rhesus D-incompatibele trombocyten krijgen toegediend: 375 IE anti-Rhesus D. In het geval van trombopenie subcutaan toedienen.

Plasmatransfusie

Toediening van anti-Rhesus D is niet nodig.

Nier- of bottransplantatie

Indien Rhesus (D) negatieve vrouwen onder de 45 jaar een Rhesus (D)-positief nier- of bottransplantaat krijgen toegediend: 375 IE anti-Rhesus D.