Algemene maatregelen bij transfusiereacties

Publicatiedatum:
29 augustus 2012

Algemeen

Transfusiereacties zijn ongewenste bijwerkingen en complicaties van transfusie van bloedproducten. Deze kunnen zeer uiteenlopend van ernst en vorm zijn. De verschillende soorten van transfusiereacties en eventueel in te zetten diagnostiek/maatregelen zijn hieronder weergegeven gevolgd door de indeling in graderingen van ernst van de reacties. In het algemeen kan gesteld worden dat veel transfusiereacties korte tijd na het starten van de transfusie optreden. Daarom is het noodzakelijk om de patiënt gedurende de eerste tien minuten na aansluiten van de eenheid te observeren. Ook tijdens transfusie moet regelmatig worden gecontroleerd of er zich geen problemen voordoen. Voor het starten van de transfusie behoort ook de lichaamstemperatuur, bloeddruk en pols van de patiënt vastgelegd te worden om als uitgangspunt voor eventuele verdere metingen te dienen. Dit dient 10 min. na start van de transfusie en na het beëindigen van de transfusie herhaald te worden. Koorts is overigens op zich geen contra-indicatie voor transfusie. In het algemeen kan gesteld worden dat indien er zich ernstige reacties tijdens de transfusie voordoen, de transfusie onmiddellijk gestaakt dient te worden. Het infuussysteem dient te worden vervangen door een nieuw systeem (gevuld met 0,9% NaCl), de infuuscanule kan hierbij in situ blijven. Na behandeling van de reactie kan afhankelijk van het soort reactie, onderzoek naar de onderliggende oorzaak ingezet worden.

Algemene maatregelen bij acute transfusiereacties

Bij ernstige transfusiereacties en/of temperatuurstijging > 2ºC worden de volgende acties ondernomen:

  1. Stop de transfusie.
  2. Controleer de identificatie van patiënt en donor.
  3. Neem bloed af uit de andere arm (een buis EDTA en twee buizen stolbloed) en bij > 2ºC temperatuurstijging ook een bloedkweek.
  4. Verzamel de eerst geproduceerde urine voor onderzoek op vrij hemoglobine. Stuur donoreenheid (eventueel met toedieningsysteem) afgesloten met een kocher en het afgenomen bloedbuis naar het transfusielaboratorium.
  5. Vermeld de vraagstelling en de klinisch relevante gegevens op het daartoe strekkende formulier en stuur ook dit naar het laboratorium. Denk ook aan een eventuele vorige bloedtransfusie die een vertraagde reactie veroorzaakt.
  6. Adequate controles van patiënt afspreken (pols, temp, tensie).
N.B.: Als er verwisseling heeft plaats gevonden, dient onmiddellijk ook de andere patiënt te worden opgespoord.